[PWC-MEDIA] ‘Meer inzicht nodig in individuele verschillen in het onderwijs’

  • From: "Media, RU" <media@xxxxx>
  • To: "Media, RU" <media@xxxxx>
  • Date: Thu, 17 May 2018 13:02:30 +0000

[cid:image001.jpg@01D3EDF0.135E56C0]

‘Meer inzicht nodig in individuele verschillen in het onderwijs’
Het onderwijs is vooral gericht op de gemiddelde leerling. Dit komt deels 
doordat we nog onvoldoende begrijpen wat zwakke en excellerende leerlingen 
nodig hebben om optimaal te kunnen leren. Hoe moeten leerkrachten in het 
primair onderwijs omgaan met de individuele verschillen tussen leerlingen? In 
hun oraties aan de Radboud Universiteit op 25 mei gaan Evelyn Kroesbergen, 
hoogleraar Orthopedagogiek, en Ard Lazonder, hoogleraar Onderwijswetenschappen, 
in op deze vraag.

Dat ze gezamenlijk hun oraties houden, is een logisch gevolg van hun manier 
werken. Kroesbergen: ‘We werken veel samen, we zijn tegelijk aangesteld en ons 
onderzoek ligt heel dicht bij elkaar.’ Kroesbergen kijkt weliswaar met name 
naar het rekenonderwijs in het primair onderwijs en Lazonder naar het primair 
onderwijs op het gebied van wetenschap en technologie, maar hun centrale 
onderzoeksvraag komt overeen: hoe kunnen we het onderwijs zo effectief mogelijk 
maken voor leerlingen? Kroesbergen doet vooral onderzoek naar individuele 
verschillen tussen leerlingen en hun onderwijsbehoeften, terwijl Lazonder zich 
meer richt op de effectiviteit van zogeheten adaptief of gedifferentieerd 
onderwijs dat aan die behoeften tegemoet wil komen.

Uit hun beider onderzoek blijkt dat meer aandacht voor individuele verschillen 
tussen leerlingen de onderwijsprestaties bevordert. Een kind met leerproblemen 
heeft vaak andere kenmerken dan een gemiddelde leerling of een excellente 
leerling, elk type leerling verdient dus zijn of haar eigen benadering. 
Lazonder: ‘Uit onderzoek blijkt bovendien dat, als we willen dat het onderwijs 
beter wordt, de meeste winst valt te behalen door in te spelen op de behoeften 
van kinderen die te weinig opsteken van de reguliere lessen.’

[cid:image002.jpg@01D3EDF0.135E56C0]

Getalbegrip en creativiteit
Kroesbergen kijkt naar kinderen die moeite hebben met rekenen of zelfs 
dyscalculie hebben, maar ook naar kinderen die juist heel goed presteren. Uit 
haar onderzoek blijkt dat beide soorten kinderen baat hebben bij maatwerk. 
‘Voor kinderen aan de onderkant is getalbegrip vaak een probleem: het kunnen 
begrijpen, schatten en manipuleren van getallen en hoeveelheden.’

Terwijl excellente rekenaars juist behoefte hebben aan een meer creatieve 
insteek van het onderwijs. Kroesbergen: ‘We hebben relatief weinig kinderen in 
Nederland die heel goed kunnen rekenen. Mijn hypothese is dat het aantal 
excellerende kinderen zal toenemen als we meer ruimte geven aan creativiteit in 
de reken-wiskunde les.’

Volgens Kroesbergen is er in het onderwijs zelf nog weinig zicht op deze 
verschillen tussen leerlingen: ‘Als ik een school bel met de vraag of ze een 
kind hebben met dyscalculie, zegt 95 procent van de scholen die niet te hebben. 
Terwijl het er in principe een paar zouden moeten zijn. Rekenproblemen worden 
vaak niet als een specifiek probleem gezien.’

Adaptief onderwijs en differentiatie
Lazonders onderzoek concentreert zich op wetenschap- en technologieonderwijs in 
de bovenbouw van de basisschool. Hoe kan een leraar de 30 leerlingen uit zijn 
of haar klas instructie of begeleiding op maat geven? Lazonder: ‘Dit is 
behoorlijk ingewikkeld voor leraren, omdat ze met veel dingen tegelijk rekening 
moeten houden. Bij beslissingen over adaptief of gedifferentieerd onderwijs 
gaat het niet alleen om de cognitieve prestaties van het kind, maar ook over 
sociale en affectieve factoren: heeft het kind bijvoorbeeld faalangst, een lage 
motivatie of moeite om zich te concentreren’

Lazonder kijkt hoe kinderen onderzoeksvaardigheden kunnen leren — een onderwerp 
dat vanaf 2020 in het curriculum van elke basisschool moet zijn opgenomen. Vaak 
gebruikt hij hiervoor een knikkerbaan waarmee kinderen kunnen onderzoeken welke 
invloed de eigenschappen van de baan (bijvoorbeeld de hellingshoek) of de 
knikkers (bijvoorbeeld de massa) hebben op de afstand die een knikker aflegt. 
De leraar kan hierbij eerst een korte instructie geven en de kinderen tijdens 
hun onderzoek begeleiden. Lazonder kijkt vervolgens wat de invloed is van 
kleine variaties in de instructie of begeleiding op de prestaties van kinderen 
met verschillende kenmerken.

Zijn doel is om leraren op basis van zijn onderzoek richtlijnen te geven voor 
het monitoren van het werk van de leerlingen en het aanpassen van hun 
instructies. Lazonder: ‘Op welke onderdelen schiet een leerling nog tekort? Wat 
voor patroon zit er in de fouten van die leerling? En hoe kan instructie of 
begeleiding worden ingericht om ervoor zorgen dat elke leerling er optimaal van 
profiteert?’

Meer weten? Neem contact op met

●        Evelyn Kroesbergen, (024) 361 5495, 
e.kroesbergen@xxxxxxxxx<mailto:e.kroesbergen@xxxxxxxxx>

●        Ard Lazonder, (024) 361 2333, 
a.lazonder@xxxxxxxxx<mailto:a.lazonder@xxxxxxxxx>

●        Wetenschapscommunicatie Radboud Universiteit, (024) 361 6000, 
media@xxxxx<mailto:media@xxxxx>

JPEG image

JPEG image

Other related posts:

  • » [PWC-MEDIA] ‘Meer inzicht nodig in individuele verschillen in het onderwijs’ - Media, RU